Het recht op de stad. Het geval Brussel.
door Alain Storme
(Een uitgebreide versie van dit artikel is hier te lezen.)
Brussel in de nieuwe wereldorde.
De huidige economische wereldordening werd in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw vanuit een sterk marktgericht denken in de steigers gezet. Deze ‘nieuwe’ of globale economie, die momenteel als gevolg van de financiële crisis in zijn voegen kraakt, heeft het uitzicht en de evolutie van steden sterk bepaald. De globalisatie impliceerde namelijk ook een ruimtelijke reorganisatie van het economisch gebeuren. Was de naoorlogse wereldeconomie hoofdzakelijk nationaal georganiseerd, dan zien we dat de nationale schaal, onder druk van de globalisering, verbrokkelt in lokale, regionale en supranationale schalen.
Steden en bij uitbreiding regio’s (bvb: de as Rijsel/Kortrijk) werden succesvolle knooppunten van economische competitiviteit. De stad levert grote schaalvoordelen omdat de huidige economie gediend is met geringe afstanden en steunt op vertrouwensnetwerken die moeilijk elders reproduceerbaar zijn. Deze voordelen vallen goed af te lezen aan een stad als Brussel. Economisch gezien rangschikt men Brussel onder ‘de beta world cities’ en moet ze in feite slechts alfa’s als New York, Londen, Parijs of Tokio laten voorgaan. In termen van buiten- en binnenlandsproduct is het Hoofdstedelijk Gewest de derde rijkste regio van Europa. De economische slagkracht van Brussel overstijgt in ruime mate haar 1 miljoen inwoners. Alleen op dat getal afgaand is Brussel maar een bescheiden wereldstad.
Deze positie kreeg Brussel, afgezien van haar strategische ligging, niet zomaar in de schoot geworpen. Een van de kenmerken van de huidige economie betreft het flexibel en mobiel omgaan met kapitaal en productie. Steden moeten opvallen en zich op de kaart zetten willen ze kapitaal en productie aantrekken. Een van de gevolgen is een scherpe concurrentie tussen steden die zich via citymarketing en imagebuilding in de culturele sfeer als actief en ondernemend gaan aanprijzen. Men hoeft er slechts regeringsverklaringen en meer recent het Plan voor de Internationale Ontwikkeling van Brussel op na te lezen om te merken dat ook Brussel niet aan deze wetmatigheid ontsnapt.
Aldus werd Brussel in de laatste decennia uitgebouwd als een arena voor marktgeoriënteerde groei en eliteconsumptie. Het betreft hier een keuze die zeer zeker gedicteerd werd door de tot het uiterste doorgedreven concurrentielogica van de markt. Het was echter evengoed een keuze die welbepaalde economische elites bevoordeelde. Deze elites in de internationaal georiënteerde zakengerichte dienstverlening, de vastgoedsector en de financiële wereld vormen groeicoalities en maken Brussel in functie van winstmaximalisatie ten nutte. Zij vooral hebben het recht op de stad geclaimd en dit ten nadele van de vele tienduizenden mensen die in Brussel onder de armoedegrens leven of naar die grens afglijden.
De nieuwe stedelijkheid als gevolg van de nieuwe economie heeft immers duidelijk ook haar keerzijde. Brussel is – in het geëigende economische jargon – een superstar regio met als voornaamste kenmerk groepen die kansen krijgen om zich tot de grootste rijkdom op te werken naast groepen met alleen uitzicht op complete uitsluiting. Brussel is m.a.w. ook een plaats waar het falen van de markt zichtbaar wordt onder de vorm van ruimtelijke polarisatie van rijk en arm. 27 % van de Brusselse bevolking leeft onder de armoedegrens. Volgens een recente buurtatlas verkeren 97 buurten in grote moeilijkheden. In die buurten leven ruim 200.000 mensen, waarvan 180.000 van vreemde origine. Aan hen dreigt het recht op de stad voorbij te gaan. Zij ondervinden aan den lijve wat we algemeen kunnen omschrijven als de neoliberalisering van de stad.
Neoliberalisering van Brussel.
Het neoliberalisme als ideologisch baldakijn van de globaliserende economie vertoont meerdere gezichten. Het is een economische doctrine waarbinnen privatisering, deregulering, liberalisering en lastenverlaging de centrale pijlers vormen. Het is ook een geloof, het geloof namelijk in het zelfregulerend vermogen van de markt en het geloof dat het algemeen belang best wordt gediend door spelers die hun eigen belangen nastreven. Het neoliberalisme is tenslotte ook een politiek project met als voornaamste doel in kwesties van rijkdom en armoede de rol van de overheid te herdefiniëren: van een zorgende, herverdelende naar een meer disciplinerende overheid die zijn beleid in toenemende mate op paternalisme baseert.
De belangrijkste plaats van de stad in de globale economie maakt haar tot geprivilegieerd object van neoliberale beleidsexperimenten. En dit op zo uiteenlopende gebieden als ruimtelijke ordening, huisvesting, arbeidsmarkt, bestuurlijke praktijken en sociale politiek.
Conform de nood aan citymarketing zien we in de herstructurering van de gebouwde omgeving en het stedelijk weefsel een voorliefde voor megaprojecten. Met het oog op het aantrekken van financieel draagkrachtige middenklasse bewoners worden wijken gerenoveerd wat zorgt voor de nodige sociale verdringing: sociaal zwakkeren kunnen zich de stijgende huurprijzen niet langer veroorloven. Onder het mom van sociale mix wordt vooral voor de middenklasse en de elite gebouwd. Anderzijds moeten daklozen het met een noodopvang stellen. In de stad zien we de herstructurering van de welvaartstaat in uitvoering. Sociale problemen als gevolg van een gebrek aan sociale cohesie op nationaal vlak ten gevolge van de afbouw van de verzorgingsstaat worden geherdefinieerd in termen van lokale problemen, als gebrek aan sociaal kapitaal en sociale cohesie tussen bevolkingsgroepen. Nu de overheid verstek laat gaan wordt de lokale (arme) gemeenschap geresponsabiliseerd tot participatie en actief burgerschap. Het activeren van werklozen baadt in een rechten- en plichtendiscours. Op de arbeidsmarkt staat niet de beschikbaarheid van jobs maar de geschiktheid voor jobs centraal. Er is de obsessie met veiligheid. Tenslotte wordt het discours rond armoede in toenemende mate culpabiliserend, moraliserend, disciplinerend, ja zelfs criminaliserend.
Voor een onderhandeld Brussel.
Brussel is bijgevolg steeds minder een ‘gedeelde’ ruimte, een plaats waar men zich tegelijk vreemd en thuis voelt. De stad tendeert naar een repressieve stad, een stad ook waar het beleid zijn politiek voert in het morele register. Beleidsmaatregelen steunen op een vooronderstelde consensus over wat goed en slecht is. Het omgaan met tegenstelling en conflict, het openhouden van kanalen waarlangs afwijkende meningen zich als legitieme eisen kunnen manifesteren – het eigene van democratische politiek dus – wordt vervangen door een eenheidsdenken dat voorbijgaat aan belangen van sommige groepen. Dergelijk consensusdenken werkt echter averechts want polariserend.
Tegen de praktijk van de repressieve stad in moet deze van de ‘onderhandelde’ stad in ere worden hersteld. Het concept onderhandelde stad dwingt met name sociaal-economisch minder draagkrachtige groepen niet in een visie op het goede leven dat door elites wordt bepaald. De idee van onderhandelde stad vertrekt van het recht op de stad voor iedereen, van een visie op leefbaarheid ook die meervoudig is, die divers wordt ingevuld, van de opvatting tenslotte dat het beter is die verschillende visies met mekaar te confronteren, eerder dan dat vanuit een vermeende consensus een overheersende visie wordt doorgedrukt.


