Pleidooi van het Openbaar Ministerie tegen de Belgische Staat en het Brusselse, Waalse en Vlaamse Gewest
Op 5 oktober 2008 organiseerde het Ministerie van Wooncrisis een fictief tribunaal tegen de Belgische staat en de drie gewesten voor het niet respecteren van het recht op wonen. Dit was het pleidooi van Nicolas Bernard, in de rol van openbaar ministerie
1, Juridische bekrachtiging van het recht op huisvesting.
Edelachtbare rechter,
zoals u weet, is het recht op huisvesting in de grondwet opgenomen:
“iedereen heeft het recht om een menswaardig leven te leiden”. Om dit te realiseren moeten economische, sociale en culturele rechten gerespecteerd worden door wetten, besluiten en decreten. Onder deze rechten valt ook het recht op fatsoenlijke huisvesting.
Deze grondwettelijke
erkenning wordt eveneens internationaal ruim erkend.
1, zo is er de universele
verklaring van de rechten van de mens van 1948 waarvan art 25 lid 1 stelt: elk mens heeft het recht om een leven te leiden dat zijn gezondheid, zijn welzijn en dat van zijn gezinsleden garandeert op vlak van voeding, kleding, medische zorgen, de noodzakelijke sociale diensten en huisvesting.
2, het Internationaal Verdrag van economische, sociale en culturele rechten van de VN van 1966 stelt in artikel 11 lid 1: de Staten die dit verdrag ondertekenen erkennen dat elke persoon recht heeft op een voldoende levensstandaard voor hemzelf en zijn familie, voeding, kleding en huisvesting inbegrepen .
3, het Sociaal Charter van de Raad van Europa van 1961, herzien in 1996 stelt: om het recht op huisvesting voldoende te waarborgen nemen de ondertekenende Staten maatregelen
1 om de toegang tot huisvesting voldoende te verbeteren
2 dakloosheid te voorkomen en te verminderen totdat deze niet langer bestaat
3 om de huisvestingskosten toegankelijk te maken voor mensen die niet over voldoende middelen beschikken
4, het Internationaal Kinderrechtenverdrag van 1989 stelt dat de Staten zich engageren om ouders en andere personen met kinderen ten laste materieel te steunen wat betreft voeding, kleding en huisvesting opdat kinderen zich voldoende kunnen ontwikkelen op fysiek, mentaal, spiritueel, moreel en sociaal vlak.
5, de Europese Unie bevestigt eveneens het recht op huisvesting
-1 art 9lid 1 van de bepaling van de EEG mbt het vrij verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap bepaalt dat elke werknemer van een lidstaat in een andere lidstaat geniet van dezelfde voordelen die werknemers van deze lidstaat hebben op vlak van huisvesting en de toegang tot eigendomsverwerving van de nodige huisvesting.
-2 het Europees Parlement bevestigt in een besluit (résolution) van 1987 dat het recht op huisvesting gewaarborgd moet worden door de wetteksten en dat de lidstaten dit recht erkennen als een fundamenteel basisrecht
-3 het Comité van de regio's roept in 1999 de Europese instanties op de studie van het recht op huisvesting te verdiepen omdat huisvesting de eerste voorwaarde voor iemand is om zich op sociaal en professioneel vlak te integreren.
-4 het Charter van de fundamentele rechten van de Europese Unie vervat in het Grondwettelijk Verdrag voor Europa stelt in artikel II afdeling
34 lid 3: om te strijden tegen sociale uitsluiting en armoede erkent en respecteert de Unie het recht op sociale hulp en hulp bij huisvesting om een waardig bestaan te garanderen aan ieder die niet over voldoende middelen beschikt.
2, wie heeft welke verantwoordelijkheid
De huidige wooncrisis is zoals iedereen weet dramatisch. De mensen die in bestaansonzekerheid en armoede leven kennen maar al te goed de kenmerken van deze crisis:
extreem hoge huurprijzen, veel te weinig sociale woningen en geen veralgemeende huurtoelage. Hoe en door wie komt het dat we in deze wooncrisis beland zijn?
a) Een eerste factor, die o. i. veel te
weinig benadrukt wordt is het zwakke overheidsoptreden inzake huisvesting of het nu de federale of gewestelijke overheid betreft.
De huisvestingsmarkt wordt met andere woorden niet bijgestuurd. Dit is verwonderlijk, des te meer aangezien de overheid in onze welvaartsstaat geïnvesteerd heeft in een toenemend aantal sectoren (zoals bvb. gezondheid en onderwijs) om de vrije toegang hiertoe te garanderen voor iedereen. Wat huisvesting betreft zijn de verschillende overheden veel minder sturend en vertrouwen zij blijkbaar op de werking van de markt.
Zo wordt de huurprijs overeengekomen tussen de huurder en de verhuurder. In de praktijk is het de verhuurder die de huurprijs bepaalt.
De hoogte van de gevraagde huurprijs moet niet overeenkomen met een bepaalde kwaliteit van de woning. In tal van andere landen zoals Frankrijk en Nederland is dit wel zo.
In de federale huurwet is er geen enkele reglementering over de hoogte van de huurprijs.
2. In België worden de winsten op vastgoed niet belast, op voorwaarde dat het goed de eerste vijf jaar na de aankoop niet opnieuw verkocht wordt. In Frankrijk is dit opnieuw wel het geval. Op deze manier wordt niet opgetreden tegen de speculatie van verkopers met als gevolg een spectaculaire stijging van de koopprijs van woningen.
3. wat betreft de leegstand moeten we vaststellen dat er heel veel verschil is in de ijver van de verschillende gemeenten om de taks op leegstand te heffen. De wet op de leegstand is ook weinig dwingend omdat de meerderheid van de gemeentelijke regelgeving ivm leegstandstaks bepaalde eigenaars vrijstelt hiervan zoals publieke administraties of eigenaars die geen andere eigendom bezitten dan deze die in aanmerking komt voor de leegstandstaks.
Naast de leegstandstaks bestaat er een ander instrument voor de overheid om op een meer doeltreffende manier de leegstand te bestrijden en een leegstand pand in beheer te nemen om het te verhuren aan mensen in armoede, als het moet zonder toestemming van de eigenaar. Dit opeisingsrecht, dit openbaar beheersrecht wordt nog altijd niet toegepast in het Brussels Gewest,
ondanks het oprichten van een fonds van voorfinanciering voor de noodzakelijke renovatiewerken van de woning die leeg stond. De wet ivm het opeisingsrecht en openbaar beheersrecht is dringend aan verandering toe.
5. het federaal fiscaal systeem stimuleert hoge huurprijzen aan. De verhuurder wordt immers niet op de werkelijke huurinkomsten belast maar op forfaitaire huurinkomsten, het zogenaamde kadastraal inkomen. Het kadastraal inkomen wordt vandaag geschat op een vierde van de gemiddelde huurprijzen. De verhuurder moet dezelfde belasting betalen of hij nu veel of weinig huur vraagt. Waarom zou hij een inspanning doen als hij hier geen enkele tegemoetkoming voor krijgt van de overheid?
Bovendien moedigt dit belastingssysteem de opdeling van huizen in afzonderlijk verhuurde woonruimtes aan, wat op zich de kwaliteit van de wijk niet bevordert. Het kadastraal inkomen geldt voor het hele gebouw, of het nu in afzonderlijke woonruimtes wordt opgedeeld of niet.
6. Sedert 2001 hebben de Gewesten een belangrijke fiscale bevoegdheid ivm vastgoed: het gaat om de onroerende voorheffing. De Gewesten kunnen de onroerende voorheffing berekenen op een andere basis dan het kadastraal inkomen, bijvoorbeeld op basis van het verschil tussen de werkelijke huurprijs en een referentiehuurprijs (bvb. berekend op basis van wat de sociale verhuurkantoren vragen). Op deze manier kunnen meer redelijke en lagere huurprijzen gegarandeerd worden. Via de onroerende voorheffing kunnen de huurprijzen onder controle blijven! Er bestaan dus wel degelijk wegen om de huurprijzen onder controle te houden via fiscale beloningen en referentiehuurprijzen. Enkel de politieke wil van de Gewestregeringen om dit ook effectief te doen ontbreekt.
Voorbeeld de Europese wijk
....Ook het uitblijven van een huurtoelage, dat de scherpe kantjes van de wooncrisis voor mensen met een beperkt inkomen enigszins afrondt, klaag ik aan.
Vandaag worden de huurprijzen niet gecontroleerd. Tegelijk is het aanbod van sociale en publieke woningen bedroevend laag. In dergelijke contekst zou je van de overheid op zijn minst verwachten dat ze de mensen die het zwaarst lijden onder de wooncrisis financieel bijstaat. In afwachting van een meer structurele aanpak van de wooncrisis, waarbij de bouw van een pak meer sociale woningen dan nu noodzakelijk is, is dit toch het minste wat je kan verwachten. Onze regering bekent vandaag kleur: zij komt met miljarden euro's over de brug om de machtigen te ondersteunen die jarenlang op onverantwoorde manier superwinsten gemaakt hebben ten koste van andere sectoren en landen. De armen zijn ondertussen al die jaren in de kou blijven staan. Voor hen kan de overheid niet tussenbeide komen omdat er zogezegd geen geld hiervoor is, terwijl het om een peulschil gaat in vergelijking met wat vandaag uitgegeven wordt om de financiële crisis aan te pakken. Een toenemend aantal mensen staat op de wachtlijst voor een sociale woning. Ondertussen moeten zij zien te overleven in de jungle van de privé-huisvestingsmarkt waar zij ondanks hun beperkt inkomen geconfronteerd zijn met immense huurprijzen. Overheidssteun voor deze mensen zou niet misplaatst zijn in afwachting van een meer structurele oplossing.
In onze buurlanden, met name in Nederland, Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië zijn dergelijke maatregelen van kracht.
Opdat de huurders het hoofd op financieel vlak boven water zouden kunnen houden zijn er twee mogelijkheden: 1 ofwel beperkt de overheid de uitgaven door de huurprijzen aan banden te leggen 2 ofwel verhoogt de overheid de koopkracht van de huurders door een maandelijkse huurtoelage.
De overheid weigert vandaag om maatregelen te nemen op beide vlakken.
Er bestaan in de verschillende Gewesten huurtoelages waarbij tussen beide gekomen wordt om het verschil in huurprijs gedeeltelijk mogelijk te maken voor huurders met een beperkt inkomen die verhuizen van een onaangepaste woning naar een aangepaste woning. Deze systemen van huurtoelagen zijn verre van doeltreffend omdat de aangepaste woning waarnaar de huurders in kwestie verhuizen aan heel strikte criteria moet beantwoorden. In de praktijk betekent dit dat voornamelijk woningen met hoge huurprijzen in aanmerking komen om naar toe te verhuizen. Net deze woningen zijn onbetaalbaar voor de mensen met een beperkt inkomen, ook al ondersteunt het gewest hen met een huurtoelage. Deze huurtoelage gaat volledig op in de hogere maandelijkse huur met als resultaat dat de mensen met een beperkt inkomen meer uitgaven hebben dan voordien.
Het systeem van huurtoelagen leidt niet noodzakelijk tot hogere huurprijzen op voorwaarde dat enkele omkaderende maatregelen genomen worden die dit verhinderen. Enkele schoorvoetende stappen in Wallonië en Brussel zijn op dit vlak gezet. In Wallonië komen jaarlijks 300 woningen, verspreid over
74 gemeenten, in aanmerking voor een huurtoelage. Dit systeem verdient uitgebreid te worden als zij succesvol blijkt te zijn. In Brussel bestaat er de huurtoelage voor stadswoningen.
(Mede door het uitblijven van een veralgemeende huurtoelage kan moeilijk hard gemaakt worden dat de huisvesting in Brussel betaalbaar blijft in vergelijking met andere Europese hoofdsteden. De huurprijzen zijn misschien een stuk lager dan in andere steden zoals Londen, Parijs, Berlijn of Rome, maar dan mag niet vergeten worden dat deze metropolen heel wat meer sociale woningen tellen dan Brussel. In Amsterdam bvb. wonen twee derden van de huurders in stadswoningen. Bovendien zijn in heel wat grote Europese steden huurtoelages van kracht. Zeggen dat Brussel op vlak van huisvesting goedkoper is dan andere Europese hoofdsteden houdt maw geen steek en is appelen met peren vergelijken.)
En dan zijn er nog het bedroevend laag aantal sociale woningen.
Slechts 6% van alle woningen in België zijn sociale woningen. In de buurlanden zijn dit er een pak meer: in Nederland zijn 35% van alle woningen sociale huurwoningen, in Frankrijk gaat het om 17% en in Groot-Brittannië om 21%.
Gezien de spectaculaire stijging van de huurprijzen de voorbije jaren wordt dit tekort pijnlijk voor de toenemende groep mensen die op wachtlijsten staan voor sociale woningen. Zo komen in het Brussels Gewest 500,000 mensen in aanmerking voor een sociale woning, terwijl er maar 38,000 zijn. Deze cijfers spreken boekdelen en illustreren het gebrekkig beleid van de overheid op vlak
Om al deze redenen en voor nog andere,
die in een volgend proces aan bod kunnen komen, vraag ik Mijnheer de Rechter om de Belgische Staat en het Vlaamse, Waalse en Brusselse Gewest schuldig te verklaren om onvoldoende ondernomen te hebben om het recht op huisvesting te garanderen voor iedereen.
Hierdoor worden niet alleen de grondwet, maar ook heel wat internationale verdragen met de voeten getreden.
En dit door een overheid die er als de kippen bij is om de huurders de les te lezen. Honderdduizenden mensen in dit land worden schaamteloos door de verschillende overheden uitgeleverd aan een ongecontroleerde markt waar de verhuurder heer en meester is. Mensen steken zich tot over hun oren in de schulden om hun huis af te betalen of hun huur te kunnen betalen. Alle sociale diensten zien machteloos toe hoe steeds meer gezinnen een financiële strop om de nek dragen.
Ik heb gesproken.


